In de vormgeving sluit het gebouw aan op het in fasen gebouwde ziekenhuis. Grotere ruimten in de kopgevel steken naar voren en deze ‘erker’ wordt als rib over het dak voortgezet om het binnengebied van daglicht te voorzien. Op de kopgevel is, ‘uitgesleten’ door de hoofdstroom van patiënten, een etalagestrook uitgespaard. Het hoofdtrappenhuis is aan de achterzijde, op het scheivlak met twee andere bouwdelen gesitueerd om in een later stadium de aansluiting op een nieuw te bouwen deel mogelijk te maken.